The Pilgrim's Way to Santiago

Wetenswaardigheden

Kledij

In de beginperiode droegen de pelgrims gewone kleren, zoals de overige reizigers. Langzamerhand, werd de kledij concreter: een korte jas die niet in de weg zat bij het bewegen van de benen, een schoudercape of leren esclavina of pelerina die tegen kou en regen beschermde, een ronde hoed met een brede rand en een pelgrimsstaf die boven het hoofd uitkwam, met een ijzeren punt. Aan deze staf hing een pompoen, die dienst deed als veldfles. Na zijn terugkeer bewaarde de pelgrim zijn kleding, hoed en staf, als een vrome herinnering, een voorbeeld voor zijn kinderen en kleinkinderen, of schonk hij ze aan een kerk, als ex-voto en teken van dankbaarheid voor het feit dat hij ondanks de gevaren op de reis, ongedeerd terug was gekeerd.

De reiziger van vandaag de dag heeft zijn knapzak ingewisseld voor een rugzak en de bruine kleuren van zijn kleding hebben plaatsgemaakt voor een veelkleurige combinatie van shirts en regenjassen, comfortabele broeken en sport- of bergschoenen. Maar nog steeds is het in trek om de prachtige sint-jakobsschelp op de eigendommen te naaien of om de hals te hangen.

De esportilla en de pelgrimsstaf

Dat waren de twee kenmerkende attributen van de pelgrim, zoals ook de pompoen en de knapzak. Een esportilla is een smal zakje van de huid van een dier, altijd met de bek open, en niet vastgemaakt met een veter. De hertenhuid was het meest gewilde materiaal. De pelgrimsstaf is een ronde stok of staf met wisselende lengte, die over het algemeen is voorzien van een scherpe ijzeren punt, die diende ter bescherming tegen wolven en honden en die tegelijkertijd ondersteuning bood tijdens moeilijke etappes. De pompoen wordt soms aan de pelgrimsstaf of soms aan de zijkant of om het middel gehangen.

De sint-jakobsschelp

Dit is niet zomaar een schelp, maar de zogenaamde "pecten jacobeus", voorkomend in de zeeën van Galicië, die aan de kleding werd bevestigd om het verblijf in de stad van de Apostel te waarmerken voor de terugweg. Het veranderde al spoedig in een onderscheidingsteken van de pelgrim. Het is ook mogelijk dat aan het gebruik om de schelpen in hun mantels, hoeden en gordeltassen te naaien een oud heidens bijgeloof ten grondslag ligt. In de Calixtino Code werd een wonder verteld om de oorsprong van de betekenis van de schelpen te verklaren. Er werd gezegd dat een prins, die met zijn op hol geslagen paard in zee terecht was gekomen, op wonderbaarlijke wijze gered was door Santiago en bedekt door schelpen uit het water kwam. In de twaalfde eeuw bestond er op het plein Plaza Paraíso te Santiago (het huidige Azabachería) al een lucratieve handel in loden, tinnen en gitten schelpen als souvenir voor bezoekers.

Omhoog

Veiligheid tijdens de camino

De pícaros (schelmen): de kledij van de pelgrim werd ook wel gebruikt door een groot aantal professionele schelmen en landlopers. Daarvoor werden er ook maatregelen genomen om de echtheid van het vrome doeleinde van de reis te garanderen. Om dergelijk misbruik door landlopers langs de route te vermijden ging Phillips de 2de zo ver om te verbieden dat deze kledij door Spanjaarden werd gedragen en deze alleen vanaf 1590 alleen toe te staan aan personen die van over de Pyreneeën kwamen. Pelgrims die zich in open terrein begaven en het land niet goed kenden, werden vaak slachtoffer van oplichters en schavuiten. Onder de meest gevreesde van deze oplichters bevonden zich enkele herbergiers, die water bij de wijn deden, te veel berekenden, valse munten als wisselgeld gaven of die bedorven vis en vlees opdienden. Ook waren er de veermannen, die buitensporig hoge tarieven hanteerden voor de weerloze wandelaar. In 1133 vermaanden de gezagdragers van Compostela de winkeliers toen zij ontdekten dat deze meer berekenden aan pelgrims dan aan ingezetenen.

Veiligheid: de pelgrim moest, net zoals alle andere reizigers, door vreemde contreien trekken, die onderworpen waren aan verschillende heerschappijen. Daarom zorgde hij ervoor dat hij beschikte over de aanbevelingsbrieven, waarmee hij vrijgeleide kon verkrijgen. Daarmee werd overlast vermeden en kreeg de pelgrim voor zijn bagage en lastdieren vrijstelling voor de vele tolgelden en overige belastingen die reizigers moesten betalen. In de praktijk kreeg de pelgrim echter vaak geen vrijstelling.

Omhoog

Hulp aan pelgrims

"La porte est ouverte à tous, aux malades et aux gens sains. Aux catholiques comme aux païens, aux juifs, aux hérétiques, aux vagabonds et aux vains ". C’est en ces termes que l’hospitalité de Roncevaux était louée au XIIIe siècle. Coucher et nourriture pendant trois jours, voilà à quoi pouvaient s’attendre les voyageurs, soit le nécessaire pour reprendre leurs forces sur ce trajet épuisant. Il existait des salles séparées pour les hommes et les femmes. Les pèlerins pouvaient se laver les pieds, se faire couper la barbe et les cheveux, se procurer de nouvelles chaussures et même un bain. Roncevaux était le modèle du meilleur service au marcheur.

Au début, les responsables de l’accueil étaient les grands monastères, comme Leire ou Iratxe, et la Cathédrale de Pampelune. D’autres hospices plus modestes étaient installés à la Trinité d’Arre, au Crucifix de Puente la Reina et à Larrasoaña. Le repas qu’ils offraient était généralement constitué d’une soupe ou d’un bouillon, d’un petit pain et de vin accompagnés d’une ration de légumes, de légumes secs, de viande ou de poisson. Un bon lit, de la lumière et diverses attentions spirituelles ne manquaient pas. Les refuges ont hérité de cet esprit hospitalier et offrent un toit aux pèlerins au cours d’un voyage qui, bien que moins dangereux qu’autrefois, reste éprouvant.

Omhoog

Soorten pelgrimstochten

Pelgrimstocht uit afvaardiging: een weinig bekende, maar niet minder belangrijke wetenswaardigheid is dat er ook pelgrims waren die de tocht als afgevaardigden volbrachten. In een document van 1312 wordt vermeld dat de Fransman Yves Lebreton de pelgrimsreis namens de hertogin van Artois had volbracht.

Pelgrimstocht als ridder: Vanaf de vijftiende eeuw kwam een nieuw soort pelgrimstocht in trek: de ridderlijke. Een voorbeeld daarvan is de ridder Hainault de Werchin, die aangaf dat hij alle ridders die hij op zijn reis naar Santiago tegenkwam zou uitdagen als ze zich niet verder dan twintig mijl uit zijn pad zouden begeven.

Omhoog

Heilig jaar

De jaren waarin de dag van de Apostel (25 juli) op een zondag valt, worden uitgeroepen tot Año Santo Jacobeo (Heilig jaar van Sint-Jacobus). Het is een periode waarin de kerk spirituele genade verleend aan de gelovigen. Het Año Jubilar (Jubileumjaar) wordt ingeluid met de opening van de Heilige Poort op 31 december van het voorafgaande jaar. De aartsbisschop van Santiago breekt van buiten af de muur waarmee de Heilige Poort is dichtgemetseld af, nadat hij er drie keer op heeft geklopt. Deze blijft open tot 31 december, waarna hij weer zal worden dichtgemetseld.

Omhoog

Het einde van de pelgrimstochgt

De route eindigt als men bij de graftombe van de Apostel Jacobus aankomt, die zich in de Kathedraal van Santiago de Compostela bevindt.

Omhoog